Box 3-heffing in strijd met Europees recht

Hof Den Haag beslist dat de box 3-heffing in strijd is met het Europese recht. Het hof grijpt niet in omdat de wetgever dat moet doen en X niet geconfronteerd wordt met een individuele en buitensporige last.

X geeft in zijn aangiften IB/PVV 2015 tot en met 2018 box 1 en box 3-inkomen aan. De inspecteur stelt de belastbare inkomens uit sparen en beleggen overeenkomstig de aangiften van X – en voor2016 na een ambtshalve vermindering – vast. X is het niet eens met de box 3-heffing. Hij stelt dat deze heffing moeten worden beperkt tot 30% van het in deze jaren daadwerkelijk genoten rendement.

Hof Den Haag beslist dat de box 3-heffing in de jaren 2015 en 2016 op stelselniveau in strijd is met art. 1 EP EVRM. De box 3-heffing in de jaren 2017 en 2018 is in strijd met het discriminatieverbod van art. 14 EVRM, in verbinding met artikel 1 EP. Nu de Hoge Raad nog geen oordeel heeft gegeven over de vraag of ten aanzien van het box 3-stelsel sprake is van schending op stelselniveau, kan niet gezegd worden dat de wetgever heeft nagelaten in een rechtste kortte voorzien. Het hof ziet daarom geen aanleiding om in te grijpen en zelf een regeling te treffen die de schendingen opheft. X maakt namelijk niet aannemelijk dat hij deze jaren in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 5.2

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 14

Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentelevrijheden 1

Rubriek: Europees belastingrecht, Inkomstenbelasting

Instantie: Hof Den Haag

Bron: SRA

 

Deze website gebruikt cookies om de website te analyseren en te verbeteren. Klik hier voor meer informatie over cookies.